Originele artikel:
Vrijhandelsverdrag tussen
EU en VS minacht democratie
Soevereiniteit en
democratie worden afgeschaft ten gunste van technocratisch beleid,
vinden Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema.
Door Thierry Baudet en
Bastiaan Rijpkema
maandag 16 december 2013
Niemand heeft het erover,
maar vandaag gaat de derde onderhandelingsronde over het EU-VS
Vrijhandelsverdrag van start. De onbekendheid van deze ingrijpende
gebeurtenis is geen toeval.
Politici willen namelijk
niet dat u hier zicht op heeft – laat staan dat u zich er mee
bemoeit. De voorzitter van de Europese Commissie, Barroso, moet van
politici herhalen dat het beoogde verdrag ‘groei en arbeidsplaatsen
oplevert’, en dat bezwaren ertegen ‘ongegrond’ zijn.
Barroso gaf onze politieke
managers deze boodschap op vrijdag 22 november, toen zij werden
geïnstrueerd over het ‘communiceren’ van het vrijhandelsverdrag.
Ondertussen blijven alle
daadwerkelijke afspraken geheim. We kunnen op geen enkele manier
controleren of onze bezwaren inderdaad ‘ongegrond’ zijn.
Net als met EU-regelgeving
is het met dit verdrag: hoe minder erover gesproken wordt, hoe beter.
Wanneer politici en bureaucraten in de schaduw hun plannen kunnen
voortzetten en ze naar buiten toe rookgordijnen kunnen optrekken over
‘win-win situaties’, hebben die plannen de meeste kans van
slagen.
Want geen enkele bevolking
die haar democratische rechten serieus neemt zou de implicaties van
een vrijhandelsverdrag zomaar accepteren. Daarom zou geen enkele
bevolking de huidige geheimhouding moeten tolereren. Het
veelomvattende vrijhandelsverdrag dat nu wordt opgetuigd, behoort
onderwerp te zijn van een voortdurend publiek debat.
In februari van dit jaar
begonnen de onderhandelingen voor het verdrag, toen Barack Obama er
in zijn State of the Union voor
pleitte. De volgende dag meldde Barroso al enthousiast dat een
dergelijk verdrag er inderdaad zou komen.
Waar deze Barroso het
gezag vandaan haalt om dit namens ons aan te kondigen? De brutaliteit
om dit te beslissen ontleent hij aan het Europese grondwettelijk
verdrag. De Europese Commissie heeft daarin de bevoegdheid gekregen
om in naam van de EU handelsverdragen te sluiten.
En ja, geheel in EU-stijl
wordt een schijnbaar onschuldige competentie direct tot in het
uiterste opgerekt: geen bilaterale coördinatie met een buurland,
maar niets minder dan een alomvattende handelsunie met de Verenigde
Staten.
Het beoogde
vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS heeft tot doel de handel te
vergemakkelijken. In de praktijk betekent dit, precies zoals in de
‘interne markt’ die de EU heeft afgedwongen, dat staatssteun zal
moeten verdwijnen en dat wetgeving zal moeten harmoniseren.
Wellicht goed voor de
handel – maar opheffing van staatssteun en harmonisatie van
wetgeving zijn niet onomstreden.
Ze vormen geen door
iedereen en in alle omstandigheden gewenst beleid. Want zijn er niet
tal van terreinen van het leven waarin efficiëntie niet het dragende
motief is? De biologische veeteelt, bijvoorbeeld, zou zonder
staatssteun niet kunnen overleven.
De Europese landen hebben
bovendien verschillende economieën en verschillende, dikwijls
tegengestelde, belangen. Door dit verdrag zal één lijn getrokken
moeten worden, ook al zijn de belangen en wensen totaal verschillend.
Frankrijk wil een uitzondering voor de audiovisuele industrie ter
bescherming van zijn films en muziek. Het land is bang om op dat
gebied overspoeld te worden door Hollywood.
Nederland heeft minder
problemen met wederzijdse openstelling, onder meer vanwege
Nederlandse popsterren als Afrojack en Eva Simons die een grote
afzetmarkt hebben in de VS.
Daarnaast de harmonisatie.
Wie vrijhandel bedrijft, moet helderheid hebben over de standaarden
waaraan producten moeten voldoen. Wat zijn bijvoorbeeld de
veiligheidsnormen voor, zeg, genetische modificatie?
In Amerika wordt daarover
anders gedacht dan in Europa. Betekent dit dat wij onze standaarden
aan de Amerikanen moeten aanpassen? Of zij de hunne aan die van ons?
Het zijn vragen die een
politieke keuze vergen waarmee we het wel of niet eens kunnen zijn.
En ook daarvoor geldt weer: niet alles wat goed is voor het ene
Europese land is goed voor het andere. Een vrijhandelsverdrag
bedreigt de cultuur en de zelfbeschikking van de partijen die het
afsluiten. Eenmaal opgetuigd kan de reikwijdte van het verdrag door
jurisprudentie gemakkelijk worden vergroot. Het Europese Hof van
Justitie heeft de macht van de EU zeer sterk opgerekt. Er is geen
enkele reden om aan te nemen dat een rechtsprekende instantie van het
vrijhandelsverdrag meer terughoudendheid zal betrachten.
Ervaringen met
arbitragemechanismen uit handelsverdragen wijzen in de richting van
bijkomende problemen.
Moderne handelsverdragen
tussen staten geven investeerders – private partijen – een
klachtrecht. Een dergelijk recht schijnt ook deel uit te maken van de
gesprekken tussen de VS en de EU. Anders blijven investeerders weg,
zo houdt de Europese Commissie ons voor.
Maar de gevolgen kunnen
enorm zijn. Bedrijven zijn in staat miljoenenclaims in te dienen als
nieuwe wetgeving – bijvoorbeeld over groene energie – hun niet
zint.
Binnen de EU gebeurt dat
al. Het Zweedse energiebedrijf Vattenfall klaagde Duitsland aan
wegens zijn streven naar planeetvriendelijke stroom.
Als zulke claims
doorzetten, wordt democratische besluitvorming onmogelijk. Een
handvol pseudorechters krijgt dan nagenoeg onbeperkte macht op basis
van vage, in zalvende algemeenheden opgetuigde verdragsbepalingen.
Ernstige zorgen zijn op
hun plaats. Het is schokkend dat wij niets weten over de voorstellen
die ter tafel zullen komen. Niets.
Alles aan de
onderhandelingen blijft geheim: het onderhandelingsmandaat van de
Europese Commissie, de standpunten van lidstaten, de conceptteksten,
de reikwijdte van de conflictbeslechtings-procedure – geen enkel
document is openbaar.
Nogmaals: dat is geen
toeval. We leven in een tijd van politicide.
De democratische politiek wordt afgeschaft
ten gunste van technocratisch-utilitair beleid. Burgers die inspraak
willen, zijn maar lastig.
Het onderhandelingsproces
van het vrijhandelsverdrag maakt duidelijk hoe diep de minachting is
van onze politici voor democratie en soevereiniteit.
Ze zouden de bevolkingen
van de nationale staten moeten vertegenwoordigen, maar ze zetten die
juist steeds verder buiten spel.